Wokken

Wokken gaat heel snel en is gezond.
Dat komt doordat de hitte van het vuur onder de bolvormige wok heel goed wordt verdeeld.
De ingrediënten die bij het wokken telkens worden omgeschept, komen daardoor aan alle kanten direct in aanraking met het hete oppervlak van de wok en zijn dan in een handomdraai klaar.
Groenten, vlees, kip, vis, rijst en noedels kunnen allemaal worden gewokt.

wokken1 (5K)

Snijd ingrediënten klein.
Hierdoor kunnen ze snel gaar worden.
Om er verzekerd van te zijn dat ingrediënten tegelijkertijd gaar zijn, worden bijvoorbeeld worteltjes die een langere kooktijd hebben in kleinere stukjes gesneden dan lente-uitjes met een kortere kooktijd.

wokken2 (2K)

Zet de wok op een wokbrander of op het hoogste vuur van het fornuis.
Laat de wok heet worden, voeg een scheutje wokolie toe en begin direct te wokken.
Door het hoge vuur blijft de wok heet.
De ingrediënten raken zo aan alle kanten de hete wok en worden gelijkmatig verhit.

wokken3 (2K)

Voeg vlees, kip of vis en/of groenten aan de hete wok toe.
Wokken gaat het best met kleinere hoeveelheden, porties voor zo'n 2, 3 of 4 personen.

wokken4 (2K)

Schep de ingrediënten de hele tijd om met een brede (wok)spatel.
Houd het vuur tijdens het wokken de hele tijd hoog.

wokken5 (2K)

Voeg als de ingrediënten knapperig/gaar gewokt zijn, woknoedels of rijst toe.
Meng de noedels of rijst er voor het gemak met 2 spatels door en wok ze even mee.

wokken6 (2K)

Breng het gewokte gerecht op smaak met bijvoorbeeld woksaus, ketjap, sambal etc. en wok nog een paar minuten mee.

Bron: Conimex

Terug